NL EN
Word donateur van STAP!

Standpunten STAP

Vraag 1: Wat zeggen de nieuwe richtlijnen voor ‘aanvaardbaar alcoholgebruik’?

In november 2008 vond op initiatief van het Trimbos-instituut een expertmeeting plaats over nieuwe richtlijnen voor ‘verantwoord alcoholgebruik’.

Op basis van onderzoek van de Gezondheidsraad (Richtlijn Goede Voeding 2006. Hoofdstuk 9: Matig alcoholgebruik) trekt STAP de volgende conclusies:

• Er is geen veilige norm te communiceren over ‘verantwoord’ alcoholgebruik. Beter is dan ook te spreken van richtlijnen over ‘aanvaardbaar’ alcoholgebruik.
• Als u wel drinkt, drink dan zo weinig mogelijk (en eet er wat bij).
• Aanvaardbaar is niet meer dan 1 glas alcohol (10 gram) per dag voor gezonde vrouwen vanaf 18 jaar.
• Aanvaardbaar is niet meer dan 2 glazen alcohol (20 gram) per dag voor gezonde mannen vanaf 18 jaar.
• Minder = altijd beter!
• Uit onderzoek komen veel risicogroepen naar voren voor het gebruik van alcohol. Deze risicogroepen vormen feitelijk een té groot deel van de bevolking om het communiceren van één algemene richtlijn voor ‘verantwoord’ alcoholgebruik te kunnen verantwoorden. Vandaar richtlijnen voor ‘aanvaardbaar’ alcoholgebruik.

N.B.
• Onder de 40 zijn geen gezondheidsvoordelen aangetoond van het drinken van alcohol. Vanaf het 40e levensjaar kan matig alcoholgebruik een klein beschermend effect hebben op hart- en vaatziekten. Echter, dit beschermende effect valt direct weg als ook af en toe ge-’binged’ wordt (>5 glazen per keer).
• Ook pleiten gezondheidsorganisaties voor andere interventies dan matig alcoholgebruik om coronaire hartziekten te voorkomen, zoals: stoppen met roken, voldoende bewegen, voorkomen van obesitas/ hogebloeddruk, voeding gebruiken met weinig verzadigde vetten, etc.
Inmiddels weten we dat ieder glas alcohol het risico op kanker verhoogt. In 2007 heeft de WHO International Agency for Research on Cancer (IARC) de stof alcohol (ethanol) geclassificeerd in de hoogste groep wat carcinogeniteit betreft (Groep 1), namelijk: “kankerverwekkend voor mensen” (Baan et al., 2007, Lancet Oncology). Twee andere organisaties, de World Cancer Research Fund (WCRF) en het American Institute for Cancer Research (AICR) hebben een systematische reviewstudie uitgevoerd naar de relatie tussen alcohol en kanker. Dit onderzoek besloeg meta-analyses van in totaal 7000 geselecteerde onderzoeken. De conclusie die werd getrokken was dat het bewijs dat alcohol verschillende soorten kanker veroorzaakt sterker is geworden vergeleken met midden jaren ‘90. Voor mond-, keel- strottehoofd-, slokdarm-, en borstkanker is het bewijs ‘overtuigend’. Bij mannen is dat tevens voor darmkanker het geval. Alcohol veroorzaakt ‘waarschijnlijk’ darmkanker (bij vrouwen) en leverkanker. Ook concluderen de onderzoekers dat de data geen veilige ondergrens laten zien van alcoholinname.

Om deze reden sluit STAP zich volledig aan bij het motto van de Wereldgezondheidsraad (WHO) “Less is better”. Omdat mensen nu eenmaal behoefte hebben aan richtlijnen voor hun alcoholgebruik, is ervoor gekozen om de aanvaardbare bovengrenzen die naar voren kwamen uit de Trimbos Expert Meeting en waarbij gezondheidsschade beperkt wordt, te ‘volgen’, met de aanvullende boodschap dat minder altijd beter is.

Nieuwe Richtlijnen Aanvaardbaar AlcoholgebruikNieuwe Richtlijnen Aanvaardbaar Alcoholgebruik (93,9 kB)


Vraag 2: Waarom is de invoering van 18 jaar als leeftijdsgrens voor de alcoholverkoop noodzakelijk?

Momenteel bestaan in Nederland 2 leeftijdsgrenzen voor de verkoop van alcohol:
- 16 jaar voor zwakalcoholhoudende drank (bier, wijn, etc < 15%)
- 18 jaar voor sterke drank (> 15%)
- NB uitzondering versterkte wijnen
Er ontstaat een groeiend draagvlak voor een verhoging van de leeftijdsgrens van 16 naar 18 jaar.

STAP is een groot voorstander van één landelijke leeftijdsgrens van 18 jaar om de volgende redenen:
• Medisch gezien is het beter het drinken van alcohol zo lang mogelijk uit te stellen. De hersenen rijpen door tot het 24e levensjaar. (Minimaal) tot die tijd verstoort alcohol de ontwikkeling van de hersenen.
• Leeftijdsgrensverhoging is een effectieve maatregel gebleken om alcoholproblematiek/schade terug te dringen (Babor et al., 2003).
• Ook zonder extra handhavingsinspanningen zal een leeftijdsgrensverhoging alcoholmatigend werken op 14- en 15-jarigen. Dit komt doordat het verschil tussen een 14- en 18-jarige duidelijker is, dan tussen een 14- en 16-jarige.
• Eén landelijke leeftijdsgrens is eenduidig en gemakkelijker te handhaven.
• De verkeersveiligheid wordt bevorderd (bv. minder rijden onder invloed op brommers).
• Agressie en vandalisme zullen verminderen. Jongeren onder de 18 zullen niet meer op straat mogen drinken en uitgaansgebieden zullen veiliger worden.
• De huidige Reclamecode voor Alcoholhoudende Drank hanteert ook de grens van 18 jaar; alcoholreclame mag namelijk volgens de reclamecode niet in het bijzonder op minderjarigen zijn gericht.
• Een leeftijdsgrens van 18 sluit aan bij Europees en internationaal beleid. Een studie van de WHO (2004) wees uit dat internationaal gezien (n = 115) ongeveer 60% van de landen een leeftijdsgrens voor bier hanteert van 17/18 jaar. Slechts 12% hanteert een grens van 15/16. Nederland behoort tot een minderheid van landen waar bier op jonge leeftijd mag worden verkregen.
• Er is draagvlak onder de Nederlandse bevolking voor een landelijke leeftijdsgrensverhoging. Onderzoek van het NIPO (mei, 2007) wees uit dat 76% van de Nederlandse bevolking een landelijke leeftijdsgrensverhoging, van 16 naar 18 jaar, steunt. Ook het merendeel (71%) van de jongeren tussen de 16 en 19 was opvallend genoeg vóór een verkoopverbod van alcohol onder de 18.
• Draagvlak onder het merendeel van de gemeenten. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft onlangs aangegeven dat geschat wordt dat ongeveer 60 à 70% van de gemeenten voorstander is van een landelijke leeftijdsgrens van 18 jaar voor de verkoop van alcohol [www.vng.nl]. Kortom, ook gemeenten zien liever één landelijke grens van 18 jaar in plaats van lokale verschillen.

STAP heeft de Tweede Kamer in het najaar van 2009 met een brief uitgebreid geïnformeerd over de vele voordelen van een leeftijdsgrensverhoging van 16 naar 18 jaar. Aanvankelijk bevatte de wijziging tot nieuwe DHW een voorstel om de leeftijdsgrens via een zogenaamd ‘experimenteerartikel’ voor een tijdelijke periode van 2 jaar in een beperkt aantal gemeenten te verhogen naar 18. Dit experiment zou worden geëvalueerd en op basis van de uitkomsten besloten wat er met de leeftijdsgrens zou gebeuren. Omdat de PvdA vlak voor de behandeling haar steun aan de motie introk, werd het experimenteerartikel alsnog geschrapt. Na de val van het kabinet is de nieuwe DHW ‘controversieel’ verklaard. Dat wil zeggen dat er tijdens het demissionaire kabinet niet meer over gedebatteerd zal worden. Het valt te bezien of, en zo ja hoe, het nieuwe kabinet de DHW oppakt en wat er met de leeftijdsgrens voor de aankoop van alcohol zal gebeuren.

Omdat wetenschappelijk onderzoek in andere landen al heeft uitgewezen dat het verhogen van de minimumleeftijd remmend werkt op alcoholgebruik en alcoholgerelateerde schade pleit STAP ervoor om niet eerst te gaan experimenteren, maar spijkers met koppen te slaan en de grens binnen de nieuwe kabinetsperiode direct op te trekken naar 18 jaar.


Vraag 3: Wat is de visie van STAP m.b.t. de aanpak van hokken en keten?

Het aantal keten in Nederland is naar schatting tenminste 1500 (zie ook STAP, 2005). Tot 2006 is er praktisch geen beleid gevoerd op keten. Keten voorzien in een sociale behoefte voor jongeren op het platteland. Keten zijn echter ook een risico voor de volksgezondheid. Keetbezoekers drinken 2,5 keer meer dan niet-keetbezoekers (Korte, 2007).

Het in stand houden of legaliseren van keten is niet alleen een extra bedreiging van de gezondheid van specifieke groepen jongeren, maar kan ook tot veiligheidsproblemen leiden (brand, agressie, drugsgebruik, seksuele risico’s). Kern van het standpunt van STAP is dat regelgeving zal moeten worden gehandhaafd. Het is onacceptabel dat keten worden gedoogd binnen het Nederlandse horecabeleid aangezien ze voor oneerlijke concurrentie zorgen en toezicht houden zeer moeilijk is. STAP pleit voor een afbouw van de bestaande buurtketen en semi-commerciële keten (zie visienota STAP, 2006). De enige acceptabele keetvariant is de huiskamerkeet. Een keet die inpandig is opgezet en waar de drank niet verkocht wordt. STAP stelt een lokale afbouwtermijn van maximaal 5 jaar voor. Nieuwe buurtketen en semi-commerciële keten dienen te worden verboden. Ook het overdragen van de keet aan een nieuwe groep is niet toegestaan. STAP wijst gemeenten op het belang van het ontwikkelen van goede alternatieven voor de jeugd.


Vraag 4: Kan alcoholreclame niet beter helemaal verboden worden?

Alle longitudinale studies naar effecten van alcoholreclame op jongeren wijzen in dezelfde richting: hoe meer jongeren worden blootgesteld aan reclame, hoe vroeger ze starten met het drinken van alcohol en hoe meer ze drinken (bv. Anderson et al., 2009). Ook studies naar het directe effect van alcohol(reclame) op tv of in de bioscoop wijzen uit dat het zien van meer alcohol(reclame) direct leidt tot een verhoogde consumptie (Engels et al., 2009; Koordeman et al., 2009a; 2009b). Dit effect is met name zichtbaar bij jonge mannen en regelmatige drinkers.

Zelfregulering kan niet voorkomen dat minderjarigen nog steeds op talloze manieren aan aantrekkelijke alcoholreclame worden blootgesteld. Om deze redenen pleit STAP ervoor om, net als met tabak is gebeurd, op Europees niveau te pleiten voor een algeheel verbod op alcoholreclame en –promotie.

Om minderjarigen beter te beschermen tegen de schadelijke invloed van alcoholreclame heeft de Nederlandse overheid inmiddels de hoeveelheid alcoholreclame op radio en tv deels via wetgeving beperkt: sinds 1 januari 2010 is via de nieuwe Mediawet een verbod op alcoholcommercials tussen 6.00-21.00 uur afgekondigd. Sponsoring van programma’s tussen deze tijdstippen is nog wel toegestaan.


Vraag 5: Alcoholproducenten organiseren steeds vaker hun eigen alcoholcampagnes in het kader van de zogenaamde Corporate Social Responsibitly (CSR). Wat is de mening van STAP hierover?

CSR campagnes van alcoholproducenten zijn voorlichtingscampagnes die jongeren of ouders, vaak op ludieke, interactieve, wijze erop willen wijzen dat het beter is dat jongeren onder de 16 helemaal niet drinken en dat de consumptie van alcohol verder op ‘verantwoorde wijze’ plaats moet vinden.

STAP is geen voorstander van CSR campagnes door alcoholproducenten om de volgende redenen:
• CSR campagnes zijn nog steeds een vorm van alcoholreclame (bv. wanneer het logo van het alcoholmerk zichtbaar is) ;
• Onderzoek heeft uitgewezen dat voorlichting gericht op jongeren niet leidt tot gedragsverandering (gericht op ouders kan voorlichting wel effectief zijn);
• CSR campagnes dragen wél bij aan een positief imago van de alcoholproducent (zie boven);
• CSR campagnes kunnen zelfs schadelijk zijn: twee groepen jongeren kregen een anti-rook ad voorgelegd: één van de tabaksindustrie of één van een NGO. Er werd daarna geen verschil gevonden tussen de groepen wat betreft intentie om te roken maar wel op attitude: jongeren die een anti-rook ad van de tabaksindustrie hadden gezien waren significant positiever geworden t.o.v. de tabaksindustrie (Henriksen et al., 2006). “Baadt het niet, dan schaadt het niet” gaat dus niet op!
• CSR campagnes leiden de aandacht af van maatregelen die wel effectief zijn gebleken zoals prijsverhogingen en beperking van de beschikbaarheid (deze conclusie trekt ook de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO, 2003) in een rapport over CSR door de tabaksindustrie);
• Onder de vlag van CSR of ‘voorlichting door de industrie’ kunnen de alcoholadverteerders proberen wetgeving te omzeilen (bv. “CSR is geen alcoholreclame, dus mag wel worden uitgezonden tussen 6.00-21.00 uur” of “CSR is voorlichting, dus daarmee mogen we ons ook richten tot 16-jarigen”).
• CSR campagnes doen het lijken alsof de alcoholindustrie haar verantwoordelijkheid neemt. Echter, als ze haar verantwoordelijkheid wil nemen zal ze ook moeten komen met maatregelen waarvan bekend is dat deze werken en minder verzet moeten plegen tegen bewezen effectieve maatregelen.

Om bovenstaande redenen concludeert STAP dat CSR in feite een marketinginstrument is en ook als zodanig dient te worden beoordeeld. De inzet van CSR heeft volgens STAP dan ook primair als doel om het imago van de alcoholindustrie te verbeteren en om reclamebeperkende maatregelen van de overheid te voorkomen en omzeilen.

STAP zet zich ervoor in om relevante stakeholders te informeren over de ware aard van CSR.


Vraag 6: Waarom werkt STAP niet samen met de alcoholindustrie?

DDe invloed van de alcoholindustrie op zowel de politieke besluitvorming als op de onderzoeksagenda (Stenius & Babor, Addiction, 2010) is naar onze overtuiging groeiende. Onafhankelijke wetenschappers adviseren om elke schijn van belangverstrengeling als gevolg van samenwerking te mijden vooral omdat de betrouwbaarheid in het geding is, nog afgezien van het nadelige effect op de beeldvorming. Uit een analyse van A. de Bruijn (2008) van de bijdragen van de industrie aan het Alcohol and Health Forum blijkt dat de alcoholindustrie uitblinkt in het promoten van tal van educatieve programma’s waarvan duidelijk is dat er geen bijdrage verwacht mag worden aan het terugdringen van overmatig alcoholgebruik. Wel versterken deze programma’s mogelijk de positie van de industrie aan de onderhandelingstafel met overheden en wordt de bekendheid van de merknaam bij het publiek vergroot.

De alcoholindustrie grijpt elke gelegenheid aan om met NGO’s samen te werken zoals we recentelijk ook in Nederland zagen waar enkele GGD-en conferenties organiseren met de bierindustrie. Juist nu de regionale alcoholprojecten in opkomst zijn zal de industrie trachten een voet tussen de deur van deze ontwikkelingen te krijgen. Ook het opstarten van de Kennisinstituut Bier (Trouw, 3 oktober 2009) door Heineken is een teken aan de wand. Het instituut heeft diverse vertegenwoordigers van gezondheidsinstellingen uitgenodigd te participeren.

STAP wijst samenwerking met personen die duidelijk aantoonbare banden hebben met de alcoholindustrie af omdat dat het doel van STAP -namelijk het bevorderen van effectieve beleidsmaatregelen- niet ten goede komt. De industrie zal immers altijd juist die beleidsmaatregelen blijven promoten die hun marktpositie niet schaadt dan wel die hun positie versterkt en zich afzetten tegen maatregelen die hun marktpositie in gevaar brengen. Van de industrie zijn o.i. geen hoopgevende compromissen te verwachten die voortkomen uit samenwerking. Waar de industrie zeer gevoelig voor is, is de publieke opinie en juist onder druk van opvattingen van de publieke opinie zijn de afgelopen jaren enkele standpunten van de industrie opgeschoven (geen alcohol onder de 16). Dit soort verschuivingen zijn niet het gevolg van welke vorm van samenwerking met de industrie dan ook, maar veeleer van het overdragen van kennis over alcohol en gezondheid o.a. door STAP. STAP kiest er dan ook voor om sterk en onafhankelijk naar buiten te treden en georganiseerd overleg met de industrie uit de weg te gaan. Daar waar de overheid aanwezig is (zoals op het Regulier Overleg Alcohol (ROA) van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en sport als het Europese Alcohol and Health Forum) zegt STAP niet bij voorbaat nee tegen vergaderingen waar de industrie bij aanwezig is, alhoewel ook deelname aan die overleggen zich tegen ons zou kunnen keren.


Vraag 7: Zijn er andere commerciële partijen die gelieerd zijn aan de alcoholindustrie waarmee STAP wel samenwerkt?

Overleg met partijen die een afgeleid of deelbelang hebben in de verkoop van alcoholhoudende producten dan wel in de promotie daarvan (de horeca, de supermarkten, sportkantines, de advertentiesector) staan in de praktijk meestal zeer dicht bij de alcoholindustrie. Daar waar andere belangen van deze partijen (aantasting goede naam, klantenverlies, overlast) bedreigd worden door hun ‘alcoholbelang’’ is er ruimte voor het opschuiven van standpunten. Die rol zou STAP kunnen vervullen: het duidelijk maken aan deze partijen dat er grenzen zijn aan hun deelname in ‘alcoholbelangen’ en dat die afhankelijkheid zich zelfs tegen hen zou kunnen keren. Echter voorop staat dat deze partijen bijna zonder uitzondering hun bestaansrecht mede ontlenen aan de verkoop van alcohol (dan wel reclameomzet) en om die reden zijn zij in het algemeen ongenegen vrijwillig in te stemmen met beleidsvoorstellen die dat belang op enigerlei wijze schaden.

STAP verwacht dan ook weinig of niets van het gezamenlijk optrekken met deze partijen in beleidstrajecten of preventieprojecten. Uit dat soort samenwerkingsconstructies zullen naar onze inschatting onvoldoende effectvolle compromissen uit de bus komen. STAP zal geen server-trainingen aanbieden aan de horeca of aan supermarktpersoneel ondanks het feit dat deze trainingen zinvol kunnen zijn. STAP vindt dat niet op de weg liggen van een instelling die zich zoveel mogelijk onafhankelijk wil opstellen in het alcoholdebat.


Vraag 8: Welke prijsmaatregelen zijn het meest effectief om alcoholproblemen terug te dringen?

Prijsmaatregelen zijn niet populair maar wel het meest effectieve instrument om alcoholgerelateerde schade mee terug te dringen (Babor et al., 2003). Om deze reden is aandacht voor een goed prijsbeleid een belangrijk speerpunt van STAP.

STAP pleit voor:
invoering van een wettelijke minimumprijs voor alcohol (met Schotland als goed voorbeeld, het blijft echter afwachten of dit niet in strijd is met Europese wetgeving). Onderzoek van de Universiteit van Sheffield (Meier et al., 2008a; 2008b; 2009) heeft voor de UK en Schotland duidelijk aangetoond dat het invoeren van een minimumprijs voor alcohol met name effect heeft op de zware/schadelijke drinkers. Zij drinken namelijk een groot deel van de hele goedkope alcohol. Het veel gehoorde argument van de alcoholindustrie dat je met een generieke maatregel zoals prijsmaatregelen “iedereen raakt, ook de gematigde drinker” blijkt irrelevant bij de invoering van minimumprijzen. De matige drinker wordt nauwelijks geraakt bij het invoeren van een minimumprijs. Dit komt doordat de matige drinker in de eerste plaats al weinig drinkt en in de tweede plaats omdat deze meestal niet de hele goedkope alcohol drinkt.
accijnsverhogingen (bv. ook invoering speciale zoettax op zoete dranken). Onderzoek van RAND Europe (2009) heeft laten zien dat de prijs van alcohol in de EU lidstaten nauwelijks inflatie-gecorrigeerd is de afgelopen jaren. Hierdoor is alcohol de afgelopen 12 jaar veel betaalbaarder geworden, waardoor de alcoholconsumptie en alcoholgerelateerde schade ook zijn gestegen. De mogelijkheid tot een specifieke zoettax wordt tevens ondersteund door een onderzoek van Ernst & Young (2008).
verbod op de verkoop onder de kostprijs. Over dit onderwerp zijn verschillende moties aangenomen, echter, minister Hoogervorst heeft ooit aangegeven dat invoering van een verbod op de ‘verkoop onder de kostprijs’ zorgt voor een aanzienlijke administratieve lastenvermeerdering. Deze maatregel heeft dus niet de voorkeur van de politiek, maar zou wettelijk wel mogelijk moeten zijn;
meer bevoegdheden voor gemeenten om prijsacties en happy hours in supermarkt en horeca aan banden te leggen. Deze maatregel is voorgesteld in de vooruitgeschoven nieuwe Drank- en Horecawet (DHW). In deze nieuwe DHW, die waarschijnlijk in het nieuwe kabinet weer op tafel komt te liggen, krijgen gemeenten m.b.v. een verordening de mogelijkheid om de maximale korting in de supermarkt/slijterij te beperken tot 30% en in de horeca tot maximaal 40% van de oorspronkelijke verkoopprijs. Wat hierbij lastig is, is dat het bij een groot deel van de prijsacties moeilijk wordt om vast te stellen wat de ‘originele verkoopprijs’ was.


Vraag 9: Is voorlichting aan jongeren een effectieve maatregel?

Talloze wetenschappelijke review studies en meta-analyses hebben uitgewezen dat voorlichting gericht op jongeren niet of nauwelijks effectief is (Babor et al., 2003; Foxcroft, 2006; Jones et al., 2007) , terwijl het wel heel veel geld kost. Voorlichting kan beter gericht worden op de ouders.

Volgens STAP rust goed beleid op 3 pijlers: publiek draagvlak, regelgeving en handhaving van deze regels. Voorlichting is hierbij een goede basis om draagvlak te creëren voor verdere beleidsmaatregelen. Echter, op basis van voorlichting alleen mag geen gedragsverandering bij jongeren (verminderde alcoholconsumptie) worden verwacht. Daarvoor is een integraal pakket aan maatregelen nodig, waarbij voorlichting meer een ondersteunende functie heeft.

Van voorlichting op de basisschool (voordat de jongeren beginnen met drinken) is STAP ook geen voorstander. Dit kan zelfs een averechts effect hebben, zoals is gebleken uit onderzoek naar cannabisgebruik binnen de Gezonde School en Genotmiddelen (na voorlichting waren jongeren meer gaan gebruiken). “Baadt het niet, dan schaadt het niet”, gaat hier dus niet op. Vanwege een groot, bijna natuurlijk draagvlak voor voorlichting aan jongeren zal STAP zich niet verzetten tegen voorlichtingsprogramma’s op de basisschool. Wel zal STAP onder verwijzing naar de literatuur, een kritisch standpunt innemen.


Vraag 10: Wat is de mening van STAP over de beperking van het sluitingstijdenbeleid van de Horeca?

In de afgelopen tien jaar hebben veel gemeenten de sluitingstijden van de horeca verruimd. Daarmee is een latere uitgaanscultuur ontstaan in Nederland. Langer open betekent een grotere beschikbaarheid van alcohol (Babor, 2003). De gevolgen van langer openblijven zijn recent duidelijk geworden in de UK waar men van een verplichte sluitingstijd van 01.00 uur naar vrije sluitingstijden is gegaan. Een duidelijke toename van alcoholgerelateerde incidenten was het gevolg (Newton et al., 2007).
Het motief voor langer open in Nederland is vrijwel altijd het beperken van overlast (minder mensen in 1 keer op straat).

STAP zet zich vooral in om gezondheidsschade veroorzaakt door alcohol te beperken. Vanuit dit uitgangspunt pleiten wij voor beperktere openingstijden van horecagelegenheden. Een uitgaansleven in de horeca dat pas na middernacht op gang komt stimuleert indirect het goedkopere indrinken thuis en in de keet. De meeste uitgaanders geven aan geen problemen te hebben met eerder uitgaan (Vroeg op stap, 2009), echter het initiatief hiertoe mag niet van de uitgaanders zelf worden verwacht. Er is hier sprake van een collectief actieprobleem. Wie neemt de eerste stap om alleen om 21.00 in de kroeg te gaan zitten? De overheid kan het uitgaansklimaat sturen door invloed uit te oefenen op de openingstijden. STAP kiest voor een uiterlijke sluitingstijd van 02.00 uur. STAP staat positief tegenover het werken met glijdende sluitingstijden tot 02.00 uur ter reductie van orde problemen (bv geen toegang meer vanaf 24.00 uur o.i.d.).

In de nieuwe DHW, waarvan de behandeling voor onbepaalde tijd is uitgesteld, mogen gemeenten de openingstijd koppelen aan leeftijdsgrenzen. Hiermee kunnen jongeren onder de 16 uit de horeca worden geweerd vanaf bijvoorbeeld 24.00 uur. STAP vindt het instrument op zichzelf interessant zolang het niet het enige antwoord is op de steeds latere sluitingstijden (het moet geen bliksemafleider worden). Het moet dus duidelijk een beleid van én eerder dicht én leeftijdsgrenzen koppelen aan toegang worden.

STAP adviseert om jongeren onder de 18 jaar na 24.00 niet meer toe te laten in de horeca. We adviseren gemeenten in de lokale drank- en horecaverordening op te laten nemen dat jongeren onder de 16 jaar niet mogen worden toegelaten in discotheken, dancings en avondkroegen.


Vraag 11: Is STAP voorstander van het invoeren van lokaal toezicht op de naleving van de Drank- en Horecawet? (o.a. toezicht op leeftijdsgrenzen!)

In de VS en de Scandinavische landen is toezicht op staats- of lokaal niveau al langer het geval. In Nederland is tot op heden alleen sprake geweest van landelijke controle op leeftijdsgrenzen voor alcoholverkoop. Momenteel is men bezig deze taken over te hevelen naar de gemeente. Lokaal toezicht zou capaciteitsproblemen op het landelijke niveau deels opheffen. Bovendien kunnen gemeenten met ambitie het toezicht intensiveren.

Omdat in Nederland alleen op basis van observatie toezicht mag worden gehouden zal onopvallend (en dus objectief) lokaal toezicht houden op de verkoop aan minderjarigen een lastige zaak worden. STAP is daarom tegen het klakkeloos decentraliseren van de genoemde toezichtsbevoegdheid.

STAP ziet drie mogelijkheden.
• Allereerst de mogelijkheid om, net als in de VS, met lokeenden (mystery shoppers) te werken in de handhaving.
• Een tweede optie is het toezicht op regionaal/provinciaal niveau organiseren opdat controleurs in een groter gebied kunnen werken en minder snel herkend zullen worden.
• Laatste mogelijkheid is de leeftijdscontrole als taak bij de VWA laten liggen.


Vraag 12: Hoe kan de politieke aandacht voor het terugdringen van het doorschenken van de horeca aan klanten die al in kennelijke staat zijn worden versterkt?

Uit eigen onderzoek (Goverde, 2009) is gebleken dat artikel 252 uit het wetboek van Strafwet (dat bepaalt dat er geen alcohol mag worden geschonken aan mensen die reeds in kennelijke staat zijn) zeer slecht wordt nageleefd. Ook weten we uit mondelinge informatie van medewerkers van de VWA dat dit artikel niet wordt gehandhaafd. In Zweden is projectmatig aandacht besteed aan het terugdringen van ‘overserving’ en met significant succes (Wallin, 2004). Formeel kan de verstrekker dan ook (mede) aansprakelijk worden gesteld voor de onvoorziene schadelijke gevolgen van doorschenken. Dat kunnen bijvoorbeeld ongevallen zijn of ook alcoholintoxicatie (kosten opname ziekenhuis e.d.).

STAP wil graag dat het tegengaan van doorschenken vaker op de beleidsagenda komt te staan van bijvoorbeeld gemeenten en dat er naar mogelijkheden dient te worden gezocht voor effectieve handhaving. Dat kan op incidentele basis door proefprocessen te starten tegen ondernemers die aantoonbaar hebben doorgeschonken. Het verdient ook aanbeveling (mededeling van Sven Andreasson) om de gevolgen van het doorschenken in de samenleving beter zichtbaar te maken o.a. gevolgen op het terrein van overlast, ongevallen, agressiviteit en criminaliteit. De gevolgen van doortappen voor de gezondheid zijn evident maar niet gemakkelijk vast te stellen.

STAP zou een weg moeten vinden om dit onderzoek naar ‘overlast-gevolgen’ mogelijk te maken. Als uit onderzoek zou blijken dat er een samenhang is tussen doorschenken en dit soort nadelige gevolgen zal er een groter draagvlak ontstaan voor gerichte beleidsmaatregelen.


Vraag 13: Moet het gebruik van blaasapparatuur worden geïntensiveerd?

Het nut van het gebruik van blaasapparatuur voor het kunnen vaststellen van het bloedalcoholgehalte (BAG of b.a.g.) staat in het algemeen buiten kijf. Het duidelijkste voorbeeld is het wettelijk voorgeschreven gebruik van de apparatuur door de politie om te kunnen vaststellen of bestuurders van een voertuig de wettelijk vastgestelde limiet van 0,2 promille (geldt voor de eerste vijf jaar na het behalen van je rijbewijs) of 0,5 promille (voor de andere bestuurders) al of niet hebben overschreden. Dat geldt ook voor het gebruik van blaasapparatuur van personeel van bepaalde bedrijven (zoals het verplicht blazen van NAM personeel die op boortorens werken) waar sprake is van risicovolle arbeid. Er bestaan inmiddels ingebouwde blaastesten in auto’s (alcolock’s) die het de bestuurder onmogelijk moeten maken om onder invloed de auto te kunnen starten. Deze worden ook toegepast in het kader van strafopleggingen. Dit is in opkomst, ook in Nederland.

Het gebruik van blaastesten neemt echter ook toe in andere situaties. Het is zelfs mogelijk dat het binnenkort wettelijk is toegestaan dat jongeren onder de 16 die zich in het publieke domein bevinden en bij wie een vermoeden bestaat dat zij hebben gedronken kunnen worden verplicht te blazen. Ook steeds meer scholen besluiten blaastesten toe te passen om te voorkomen dat leerlingen onder invloed alcoholvrije feesten bezoeken.

STAP is een voorstander van het gebruik van blaastesten daar waar dat gebruik duidelijk aantoonbare voordelen oplevert en daar waar risico’s worden vergroot als er geen blaastest wordt ingezet. Concrete voorbeelden: alcoholvrije schoolfeesten en risicovolle arbeidssituaties. Er zal echter meer onderzoek moeten plaatsvinden om het effect van de inzet van blaastesten aan te tonen. Dat onderzoek wil STAP stimuleren.

STAP is voorstander van het inzetten van blaasapparatuur wanneer er sprake is van alcoholgerelateerde overlast in het publieke domein. STAP is van mening dat bij het opleggen van een gerechtelijke sanctie bij alcoholgerelateerde overtredingen of misdrijven de hoogte van het vastgestelde alcoholpromillage medebepalend dient te zijn voor het vaststellen van de strafmaat.


Vraag 14: Is strafbaarstelling van jongeren onder 16 jaar die alcohol hebben gebruikt (bv. een leerstraf van HALT) een effectief middel om het alcoholgebruik onder jongeren te terug te dringen?

Er is op dit moment geen overtuigend wetenschappelijk onderzoek over het effect van de strafbaarstelling van jongeren op het alcoholgebruik van jongeren. Wel mogen we aannemen dat strafbaarstelling de beschikbaarheid van alcohol beperkt en daarmee gezien mag worden als een effectieve preventie maatregel (Babor et al., 2003). Ook werkt strafbaarstelling waarschijnlijk als een normatieve prikkel richting jongeren en ouders. Door strafbaarstelling verschuift echter ook een deel van de verantwoordelijkheid van de alcoholtransactie van de verkoper naar de gebruiker.


Vraag 15: Wat is de opstelling van STAP t.a.v. strafbaarstelling van jongeren?

STAP is op dit moment geen voorstander van het strafbaar stellen van jongeren onder de 16 wanneer zij alcohol gebruiken. Aangezien de verstrekker in Nederland er nog steeds er niet in slaagt leeftijdsgrenzen voor verkoop goed na te leven, reclame richting jongeren nog steeds overvloedig aanwezig is en zelfs scholen alcohol schenken pleit STAP ervoor eerst de problemen aan de verstrekkingskant op te lossen. Pedagogen geven aan dat jongeren zeer gevoelig zijn voor inconsistente boodschappen. Kinderen die zelf strafbaar zijn, maar tegelijkertijd merken dat volwassenen het niet zo nauw nemen met de leeftijdsgrens, zullen de leeftijdsgrens niet accepteren. Daarom zegt STAP: eerst een verantwoorde verstrekking en daarna eventueel overwegen de jongere strafbaar te stellen.


Vraag 16: Zijn bedrijfsborrels uit den boze?

STAP is voorstander van een alcoholbeleid dat niet alleen gericht is op het terugdringen van het gemiddelde gebruik per capita in de samenleving maar pleit ook voor zogenaamde alcoholvrije zones: geen alcohol bij zwangerschap, geen alcohol in het verkeer, geen alcohol tijdens het sporten, geen alcohol onder de 18 en geen alcohol tijdens studie en werktijden. Dit standpunt is geenszins ideologisch bepaald maar ingegeven door de gevolgen van zelfs kleine hoeveelheden alcohol op het gedrag (waarnemen, concentratie, ontremming ect).

STAP is dan ook van mening dat alcoholgebruik tijdens werktijden niet aan de orde is. Ook is STAP geen voorstander van bedrijfsborrels aan het eind van de week omdat veel personeel daarna nog moet rijden. STAP zal dit soort standpunten uitdragen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat je niet drinkt als je nog moet werken en zeker niet als je nog moet rijden. Daar waar dit soort situaties niet aan de orde zijn pleit STAP voor de aanwezigheid van voldoende, met zorg en kennis geselecteerde alcoholvrije dranken naast alcoholhoudende dranken.


Vraag 17: Welke rol kan de huisarts spelen bij preventie?

De interventie vroegsignalering in de huisartsenpraktijk is in tal van pilots evidence based bevonden. In die zin is aanbeveling van de implementatie ervan vanzelfsprekend. De essentie is dat huisartsen aan de hand van signalen of eenvoudige testen (bijvoorbeeld de CAGE-test) al in een vroeg stadium van de ontwikkeling van verslavingsproblemen daarover bij voorkeur een kortdurende interventie (serie gesprekken) kunnen starten of deze doelgroep vroegtijdig kunnen verwijzen naar meer gespecialiseerde zorg dan wel naar e-hulp.

Een goede interventie vereist wel een goede vaardigheid van de huisarts want een al te belerende of te directe aanpak zal weinig opleveren. Omdat huisartsen de basishouding hebben (aangeleerd) vooral die problemen te behandelen waar de patiënt zelf mee komt is het niet vanzelfsprekend om problemen bespreekbaar te maken die de patiënt liever onder de pet houdt. Zonder goede training lukt het dan ook veel huisartsen niet om te voorkomen dat hun patiënten direct in de ontkenning schieten. Omdat ze in het algemeen niet zo gemotiveerd zijn voor trainingsprogramma’s is het implementeren van effectieve vroegsignalering in de huisartsenpraktijk nog niet echt van de grond gekomen in Nederland.

Voor meer informatie: www.vroegsignaleringalcohol.nl


Vraag 18: Helpt preventie gericht op jonge risicogroepen?

Gedragsgerichte interventies zijn voor zover bekend in het algemeen niet evidence based hoewel het draagvlak in de samenleving ervoor groeiende is. Het bestaan van dit aanbod (vooral met korte cursussen is behoorlijk wat ervaring opgedaan) vergemakkelijkt het draagvlak voor de introductie van handhavingsinitiatieven omdat er dan voor jongeren die een straf krijgen opgelegd ook een alternatieve gedragsgerichte sanctie achter de hand is. De veronderstelling is bovendien dat als ouders bij de uitvoering van deze interventies betrokken zijn, dat dan de resultaten beter zijn. Vermoedelijk is dit het geval alhoewel het niet gestaafd wordt door onderzoek.

NB: het opleggen van boetes voor bijvoorbeeld publieke dronkenschap zal vermoedelijk effectiever zijn dan het aanbieden van een gedragsalternatief. De boetes moeten dan wel voldoende substantieel zijn.

STAP pleit voor meer onderzoek naar de effectiviteit van dit soort interventies. Ons pragmatische standpunt is dat zolang deze interventies niet evidence based zijn wij er constructief kritisch tegenover staan en ze het voordeel van de twijfel geven.


Vraag 19: Waarom steunt STAP de ‘Vroeg op STAP Moeders?’

Het initiatief Vroeg op Stap (VOS) pleit voor vroegere sluitingstijden van de horeca. Naast minder alcoholgebruik is vooral het feit dat kinderen zich diep in de nacht nog naar huis begeven een zorg voor veel ouders in landelijke gebieden.

Omdat het VOS-initiatief geheel aansluit bij het standpunt van STAP om tot vroegere sluitingstijden te komen steunt STAP het initiatief. STAP zal in haar externe communicatie echter steeds blijven benadrukken dat het STAP vooral gaat om de lengte van de drinkavond en dus de beschikbaarheid van alcohol. STAP zal blijven monitoren hoe VOS en haar standpunten zich ontwikkelen.

Voor informatie: www.vroegopstap.nl


Vraag 20: Waarom stimuleert STAP de inzet van internet gestuurde apparatuur om de leeftijd vast te stellen bij verkooppunten?

De HEM (Holland Exploitatie Maatschappij te Breda) heeft een systeem ontwikkeld waarmee op afstand (middels camera’s) bij alcoholverkoop gecontroleerd wordt op leeftijd. De verkoper wordt daarmee ontslagen van de verplichting om zelf een lastig oordeel te vellen. Het systeem is getest door de UT (2009) en werkt nagenoeg voor 100%.

STAP streeft naar een verbetering van de naleving van leeftijdsgrenzen voor alcoholverkoop. Omdat het HEM systeem effectief is gebleken en goed implementeerbaar blijkt te zijn (zowel technisch als financieel) promoten we de implementatie ervan door de verkooppunten. Mochten er meerdere controlesystemen op de markt komen die effectief blijken te zijn en op dezelfde wijze vrij eenvoudig geïmplementeerd kunnen worden, dan zal STAP ook deze systemen promoten.


Vraag 21: Welk standpunt neemt STAP in t.a.v. de wettelijke normen voor rijden onder invloed?

Nederland kent een relatief laag aantal rijders onder invloed hoewel de schade maatschappelijk gezien aanzienlijk blijft. Het lage aantal drunk drivers is boven alles te danken aan een effectieve handhavingsstrategie die jarenlang is ondersteund door campagnes. Het aantal zwaardere rijders onder invloed neemt de laatste jaren echter niet af. Het is een beetje sneu dat de gedragsgerichte interventies (met name de EMA, Educatieve Maatregel Alcoholbeleid, waaraan jaarlijks 9000 mensen deelnemen) dat beeld niet hebben kunnen veranderen.

De combinatie goede regelgeving, intensieve handhaving en veel massamediale aandacht (alle ongevallen worden gepubliceerd) en de laatste jaren de BOB campagne zorgt ervoor dat het aantal rijders onder invloed al jarenlang niet toeneemt ondanks een blijvende ruime beschikbaarheid van alcohol.

STAP is een voorstander van een wettelijke nulnorm in het verkeer hoewel we er niet actief voor gaan lobbyen. In de opsporingspraktijk zitten aan de toepassing van de nul-norm praktische problemen en bovendien is de motivatie van de politie om de lage promillages te handhaven gering; men is meer gemotiveerd om het opsporingsbeleid primair te richten op de hogere promillages. STAP is nadrukkelijk voorstander van een blijvend hoge handhavingsinspanning en het op tal van manieren mediale aandacht besteden aan de gevolgen van rijden onder invloed.


Vraag 22: Wat leert de wetenschap over de gevolgen van alcoholgebruik tijdens de zwangerschap?

Het is wetenschappelijk aangetoond dat alcoholgebruik tijdens de zwangerschap diverse gevolgen kan hebben voor embryo, foetus en zwangerschap. Alcoholgebruik kan op ieder moment in de zwangerschap ongewenste effecten veroorzaken. De risico’s en de ernst van de effecten nemen toe naarmate het gemiddelde alcoholgebruik en het aantal glazen per gelegenheid hoger is. De effecten hangen bovendien af van een aantal factoren, de leeftijd van de moeder, de hoeveelste zwangerschap en het moment van blootstelling (Gezondheidsraad, 2005).

Alcohol is een giftige stof die zich verspreid over al het lichaamsvocht van de moeder en de foetus (Spieksma, 1996). Alcohol beïnvloedt de deling van cellen en kan cellen doden (Smith, 1997). Op elk moment van de zwangerschap kan alcohol de foetus dus bereiken en schade aan de ontwikkeling van het kind toebrengen. Er is wetenschappelijk aangetoond dat alcohol (al bij minder dan één standaard horecaglas per dag) spontane schokbewegingen en reacties van de foetus kan beïnvloeden en kan leiden tot een tijdelijke onderbreking van de ademhalingsbewegingen van de foetus. Bij foetale ademhalingsbewegingen gaat vruchtwater de longen in en uit, wat van belang is voor de groei en ontwikkeling van de longen (Gezondheidsraad, 2005).

Op korte termijn kan alcohol tijdens de zwangerschap leiden tot een laag geboortegewicht, miskramen, foetale sterfte en vroeggeboorte. Mogelijk leidt alcohol al bij een zeer laag niveau van blootstelling tot verhoging van het kankerrisico (Gezondheidsraad, 2005).
Alcohol tijdens de zwangerschap kan bovendien leiden tot levenslange gevolgen voor het kind na de geboorte. De groei van het kind kan achterblijven, het kind kan bepaalde gelaatsafwijkingen hebben en het kan aandoeningen aan het centraal zenuwstelsel hebben. Het kind kan hierdoor cognitieve problemen krijgen (zoals concentratieproblemen, een slecht geheugen, problemen met abstract denken) en psychosociale problemen (Streissguth, 1997).

Vanwege het feit dat er voor de consumptie van alcoholhoudende drank geen veilige ondergrens vast te stellen is waarvan met zekerheid gezegd kan worden dat er geen effect is op de vrucht en op de zwangerschap spreekt STAP zich uit voor de nulnorm: Geen alcohol tijdens de zwangerschap. Hiermee volgt STAP het advies van de Gezondheidsraad 2005.


Vraag 23: Wat doet STAP om alcoholgebruik bij zwangerschap tegen te gaan?

STAP zet zich actief in om de nulnorm ‘geen alcohol bij zwangerschap’ te verstevigen bij intermediaire doelgroepen zoals verloskundigen en artsen en bij vrouwen met een zwangerschapswens, vrouwen die zwanger zijn en vrouwen die borstvoeding geven. STAP doet tevens onderzoek naar effectieve interventies voor verloskundigen met als doel vrouwen die drinken tijdens zwangerschap ervan te kunnen overtuigen daarmee te stoppen.

STAP beheert o.a. de website www.alcoholenzwangerschap.nl en geeft een brochure uit.


Vraag 24: Wat adviseert STAP wat betreft alcoholgebruik bij borstvoeding?

Alcohol verspreidt zich over al het lichaamsvocht van de moeder en komt zo dus ook in de borstvoeding terecht. Als de moeder alcohol drinkt voordat zij borstvoeding geeft kan alcohol via de melk de zuigeling bereiken. Onderzoek heeft aangetoond dat alcoholgebruik tijdens de borstvoeding ongunstige effecten heeft op het kind (Gezondheidsraad, 2005). Na gebruik door de zogende vrouw van één tot twee standaard horecaglazen blijkt de zuigeling in de daarop volgende drie uren aanzienlijk minder te drinken en een verstoord slaap-waakpatroon te hebben. De effecten van lagere hoeveelheden zijn niet onderzocht.

Alcohol kan een dodelijk effect hebben op zenuwcellen. Als alcohol via de borstvoeding bij de baby terecht komt kan dit een negatief effect hebben op de ontwikkeling van de baby. Met name het centraal zenuwstelsel van een jong kind is volop in ontwikkeling en loopt dus risico als de moeder voor het geven van borstvoeding alcohol drinkt (Coles, 1994).

STAP adviseert daarom dat een vrouw in de periode dat zij borstvoeding geeft geen alcohol drinkt. STAP volgt hierin het advies van de Gezondheidsraad (2005). Als een zogende vrouw toch alcohol wil drinken, dan raadt STAP aan dat zij per standaard glas alcohol minimaal drie uur wacht voor zij de baby voedt. Dit geldt uiteraard ook voor het afkolven voor latere voedingen.


Vraag 25: Is er iets bekend over de invloed van het alcoholgebruik van de man als zijn partner zwanger wil worden?

Onderzoek heeft aangetoond dat alcohol een negatief effect heeft op de kwaliteit van het sperma. Zelfs bij 1 standaard glas alcohol worden zaadcellen minder beweeglijk en minder snel (Donnelly, 1999). Bovendien is er een mogelijk verband tussen alcoholgebruik van de man en een miskraam (Gezondheidsraad, 2005).

De Gezondheidsraad (2005) concludeert dat het niet mogelijk is om voor alcoholgebruik door de man vóór de conceptie een ondergrens vast te stellen, waarvan met zekerheid gezegd kan worden dat er geen effect is op de vruchtbaarheid. In overeenstemming met de Gezondheidsraad adviseert STAP mannen die graag willen dat hun partner zwanger wordt om geen alcohol te drinken.


Vraag 26: Wat adviseert STAP vrouwen met een kinderwens?

Onderzoek heeft een dosis-effectrelatie gevonden tussen alcoholconsumptie en de kans op een zwangerschap. Naarmate een vrouw meer drinkt is de kans groter dat zij niet binnen 6 maanden zwanger is (Jensen et al., 1998). Bovendien is er een mogelijk verband tussen alcoholgebruik van de vrouw voor de conceptie en een miskraam (Gezondheidsraad, 2005).

De Gezondheidsraad (2005) concludeert dat het niet mogelijk is om voor alcoholgebruik vóór de conceptie door de vrouw een ondergrens vast te stellen, waarvan met zekerheid gezegd kan worden dat er geen effect is op de vruchtbaarheid en de zwangerschap. In overeenstemming met de Gezondheidsraad adviseert STAP vrouwen die graag zwanger willen worden om geen alcohol te drinken.


Vraag 27: Werkt het inzetten van peers bij voorlichting over alcohol?

Inzetten van peers bij voorlichting (getrainde jongeren geven voorlichting aan leeftijdsgenoten) is niet effectief gebleken hoewel het aantal onderzoeken beperkt is. In Nederland is een aantal jaren (1997-2004) op behoorlijk grote schaal gebruik gemaakt van peer education in het kader van de zomer-jongeren-campagne van “DRANK maakt meer kapot dan je lief is”. Omdat de resultaten uitbleven en de organisatie ervan nogal complex is, is men hiermee gestopt. Wel worden peers nog ingezet in kleine lokale voorlichtingsacties. Het enige, niet onbelangrijke, voordeel hiervan is dat de inzet van peers voor veel publiciteit kan zorgen. Peer education wordt door het publiek als een sympathieke en nuttige interventie geschouwd. Goed getrainde peers zijn zelf ook een authentieke bron voor de media. Dat betekent dat de inzet van peers in het kader van een integrale beleidsaanpak wel een goede functie kan hebben; dat peers echter het drinkgedrag van hun doelgroep kunnen veranderen lijkt een illusie. De peers gaan na deelname aan acties meestal zelf wel minder drinken (eigen waarneming Wim van Dalen).


Vraag 28: Waarom moet volgens STAP alcoholverkoop via internet verboden worden?

Ze schieten als paddestoelen uit de grond, webwinkels die alcohol verkopen via internet. Voorbeelden zijn bierkoeriers en biertaxi’s die de voorraad bier komen aanvullen als deze midden in de nacht op is geraakt, wijnwebwinkels waar je vaak grote hoeveelheden wijn tegen lage prijzen kunt inkopen en wijnclubs (zoals bv. van het NRC en de Telegraaf). Niet alleen webwinkels, maar ook supermarkten en slijterijen, die ook een fysieke winkel hebben, mogen alcohol aan huis leveren (bv. Albert.nl).

Voor het aan huis leveren van sterke drank is een vergunning nodig (bv. een slijtersvergunning). Hier zit per definitie een fysieke winkel achter (bv. Gall & Gall). Echter, voor een webwinkel voor zwak alcoholhoudende drank zoals bier of wijn is géén vergunning nodig. In feite staat het iedereen vrij via internet zwak alcoholhoudende drank te verkopen.

STAP ziet hier 2 grote problemen in:
• naleving leeftijdsgrenzen oncontroleerbaar: minderjarigen kunnen via internet gemakkelijk aan drank komen. In feite zou leeftijdscontrole bij de deur moeten plaatsvinden. Dit is echter niet te controleren. De Voedsel- en Warenautoriteit geeft zelf aan dat dit een ‘knelpunt’ is.
• vergroting van de beschikbaarheid: onderzoek laat zien dat een vergroting van de beschikbaarheid van alcohol de consumptie, en daarmee de gezondheidsschade, vergroot (Babor et al., 2003). Een oncontroleerbare, nauwelijks te reguleren wildgroei aan internet verkooppunten vergroot de beschikbaarheid van alcohol sterk. Niet alleen minderjarigen maar ook andere risicogroepen die al schadelijk drinken (alcoholisten, studenten, 55+-ers, etc) kunnen via het internet nóg gemakkelijker en anoniemer aan alcohol komen.

Om bovenstaande redenen pleit STAP voor een verbod op de verkoop van alcohol via internet. Alcohol is geen gewoon product; er dient voorzichtig mee om te worden gesprongen. Een wildgroei aan internet verkooppunten is zeer onwenselijk.


Vraag 29: Werkt het instellen van gemeentelijke alcoholvrije zones?

Het verbieden van alcoholgebruik op openbare plaatsen draagt bij aan de norm dat alcohol geen gewoon voedingsmiddel is dat te allen tijde overal gebruikt kan worden. In die zin is STAP voor specifieke verbodsgebieden (gemeenten kunnen namelijk formeel niet de hele gemeente aanwijzen als verbodsgebied).
STAP wijst gemeenten er echter wel op dat de aankondiging van deze gebieden zorgvuldig moet gebeuren. Hoewel een aankondiging via de gemeenteberichten feitelijk voldoende is adviseert STAP ook bij het specifieke gebied een goed zichtbaar informatiebord te plaatsen. Op deze wijze wordt het verbod niet alleen een openbare orde maatregel, maar heeft het ook een preventieve werking voor het volksgezondheidsbeleid.


Vraag 30: Wat is het standpunt van STAP over waarschuwingslabels op flessen drank?

STAP is van mening dat voor alcohol dezelfde voorwaarden dienen te gelden als voor andere producten. Dat is nu niet het geval. De voorschriften voor voedingsmiddelen zijn op Europees niveau duidelijk vastgesteld waarbij alcohol een onacceptabele uitzonderingspositie inneemt.
Consumenten dienen op een volledige en betrouwbare wijze te worden geïnformeerd over de inhoud en samenstelling van alcoholhoudende dranken, over de gezondheidsrisico’s en over de risico’s bij deelname in het verkeer. Het is vanzelfsprekend onmogelijk om deze informatie op labels te vermelden.

STAP kiest er daarom voor om deze informatie tot een kernachtig minimum te beperken:
• Het dient direct duidelijk te zijn bij aankoop of er alcohol in een alcoholhoudende drank zit of niet. STAP pleit voor het aanbrengen van een opvallende tekst: Hier zit alcohol in. Vervolgens moet het alcoholpercentage zeer duidelijk worden vermeld. Daarnaast is STAP voorstander van het vermelden van een waarschuwing gerelateerd aan zwangerschap en rijden onder invloed.
• Alle overige relevantie informatie zal door de overheid middels een goed toegankelijke website dienen te worden gecommuniceerd.
• STAP zal deze standpunten inzetten in de landelijke en Europese lobby voor labeling.

Referenties
• Anderson, P., Hastings, G., Angus, K., de Bruijn, A. (2009). Impact of alcohol advertising and media exposure on adolescent alcohol use: a systematic review of longitudinal studies. Alcohol and Alcoholism, published online, January 14, 1-15.
• Baan et al., (2007). Carcinogenicity of alcoholic beverages. Lancet Oncology, 8, 292-293.
• Babor, T., et al. (2003). Alcohol: No ordinary commodity. Research and public policy. Oxford University Press: New York.De Bruijn, A. (2008). No reason for optimism:the expected impact of commitments in the European Commission’s Alcohol and Health Forum. Addiction, 103, 1588-1592.
• Coles, C. (1994). Critical periods for prenatal alcohol exposure. Alcohol Health & Research World, 18, 22-29.
• Donnelly, G. P., McClure, N., Kennedy, M. S., & Lewis, S. E. (1999). Direct effect of alcohol on the motility and morphology of human spermatozoa. Andrologia, 31, 43-47
• Engels, R.C.M.E., Hermans, R., Van Baaren, R.B., Hollenstein, T., & Bot, S.M. (2009). Alcohol Portrayal on Television Affects Actual Drinking Behaviour. Alcohol & Alcoholism, 44, 244-249.
• Ernst & Young (2008). Rapport inzake de juridische haalbaarheid van een zoettax.
• Foxcroft, D. (2006) WHO Technical Report. Alcohol Misuse Prevention for Young People:A rapid review of recent evidence. Oxford: Oxford Brookes University.
• Gezondheidsraad (2005). Risico’s van alcoholgebruik bij conceptie, zwangerschap en borstvoeding.Den Haag: Gezondheidsraad, 2005; publicatie nr 2004/22.
• Gezondheidsraad (2006). Richtlijn Goede Voeding. Hoofdstuk 9: Matig alcoholgebruik
• Goverde, M.M. (2008). Serving alcohol to pseudo-intoxicated guests in bars: designing the most reliable protocol for utilization in The Netherlands. Universiteit Twente.
• Henriksen, L., Dauphinee, A.L., Wang, Y., & fortmann, S.P. (2006). Industry sponsored anti-smoking ads and adolescent reactance: test of a boomerang effect. Tobacco Control, 15, 13-18.
• Jensen, T. K., Hjollund, N. H., Henriksen, T. B., Scheike, T., Kolstad, H., Giwercman, A., Ernst, E., Bonde, J. P.. Skakkebaek, N. E., & Olsen, J. (1998). Does moderate alcohol consumption affect fertility? Follow up study among couples planning first pregnancy. Bmj, 317, 505-10.
• Jones, L., James, M., Jefferson, T., Lushey, C., Morleo, M., Stokes, E., Sumnall, H., Witty, K., Bellis, M. (2007) A review of the effectiveness and cost-effectiveness of interventions delivered in primary and secondary schools to prevent and/or reduce alcohol use by young people under 18 years old. Liverpool: John Moores University.
• Koordeman, R, Anschutz, D.J., & Engels, R.C.M.E. (2009a). Exposure to alcohol commercials in movie theatres affects actual alcohol consumption in young adult high weekly drinkers: an experimental study. Manuscript aangeboden voor publicatie bij Alcohol & Alcoholism.
• Koordeman, R, Anschutz, D.J., van Baaren, R.B., & Engels, R.C.M.E. (2009b). Effects of Alcohol Portrayals in Movies on Actual Alcohol Consumption: An Observational Experimental Study. Manuscript aangeboden voor publicatie bij Addiction.
• Korte, J. (2007). Alcoholgebruik bij Middelbare Scholieren in Twente: Prevalentie, Determinanten en de Rol van Keten. Masterthesis bij Universiteit Twente en Tactus Verslavingszorg.
• Meier et al., (2008a). The independent review of the effects of alcohol pricing and promotion. Summary of Evidence to Accompany Report on Phase 1: Systematic Reviews. School of Health and Related Research, University of Sheffield, UK, June 2008. Study commissioned by the Department of Health: UK.
• Meier et al., (2008b). Independent review of the effects of alcohol pricing and promotion: Part B. Modelling the potential impact of pricing and promotion policies for alcohol in England: Results from the Sheffield Alcohol Policy Model Version 2008 (1-1). University of Sheffield, UK. Study commissioned by the Department of Health.
• Meier et al., (2009). Model-based appraisal of alcohol minimum pricing and off-licensed trade discount bans in Scotland. A Scottish adaptation of the Sheffield alcohol Policy Model version 2.
• Newton, A., Sarker, S.J., Pahal, G.S., van den Bergh, E., & Young, C. (2007). Impact of the new UK licensing law on emergency hospital attendances: a cohort study. Emerg. Med. J., 24, 532-534
• NIPO (mei, 2007). Driekwart bevolking wil alcoholverbod voor 16-17 jarigen.
• RAND Europe (februari, 2009). The affordability of alcoholic beverages in the European Union. Understanding the link between alcohol, affordability, consumption and harms. Commissioned by DG SANCO, European Commission.
• Spieksma, R. (1996). Alcoholisme: Diagnostiek, pathofysiologie en enkele richtlijnen voor behandeling. Alphen a/d Rijn: Van Zuiden Communications.
• STAP (2005). Indrinken op eigen erf. Landelijk veldonderzoek naar jongerenontmoetingsplekken in een semi-particuliere omgeving. Utrecht: STAP.
• STAP (2006). Keetbeleid: het hokjesdenken voorbij. Visienota gemeentelijk keetbeleid. Utrecht: STAP.
• Stenius, K. & Babor, T. F. (2010). The alcohol industry and public interest science. Addiction, 105, 191-198.
• Streissguth, A. (1997). Fetal Alcohol Syndrome: A guide for communities and families. Baltimore: Paul Brookes Publishing
• Wallin, E. (2004). Responsible Beverage Service. Effects of a Community Action Project. Karolinska Institutet, Dept. of Public Health Sciences. Stockholm, Zweden.
• World Cancer Research Fund / American Institute for Cancer Research. Food, Nutrition, Physical Activity, and the Prevention of Cancer: a Global Perspective. Washington DC: AICR, 2007.
• World Health Organization (WHO, 2003). World Health Organization. Tobacco industry and corporate responsibility... an inherent contradiction.
• World Health Organization (WHO, 2004). Global Status Report: Alcohol Policy. Geneva, Switzerland.

Nederlands Instituut voor Alcoholbeleid (STAP)
Postbus 9769
3506 GT Utrecht
T: +31 (0)30-6565041
F: +31 (0)30-6565043
E: info@stap.nl